Lesvliegen

Vlieglessen worden door eigen (daarvoor aangestelde) leden gratis gegeven, de maandagavond is de vaste lesavond, op deze avond hebben de leerlingen voorrang om te kunnen vliegen op de overige leden. Verder kan men in overleg met de instructeurs ook op andere momenten gevlogen worden zoals in het weekend of andere avond. De club beschikt over een leraar/ leerling ( L/L ) systeem die we met financiële hulp van het Westfrieslandfonds hebben kunnen aanschaffen.

Het L/L systeem bestaat uit 2 zenders die de ontvanger in het vliegtuig van de leerling aansturen, d.m.v. een schakelaar op de zender van de leraar kan de leraar het commando aan de leerling geven of bij hem zelf houden als dit nodig is. Op deze wijze kan de leraar in een fractie van een seconde ingrijpen op het moment dat dit nodig is, hiermee kunnen onnodige brokken zoveel mogelijk voorkomen worden.

Tijdens deze lesavonden verkrijgt men steeds meer informatie over hoe hoe en waarom een vliegtuig vliegt en leert men opkomende storingen zoals een onwillige motor o.i.d. op te lossen. De leraar werkt met de leerling een aantal figuren af, deze figuren moet men kunnen vliegen om het veiligheids brevet te kunnen halen, als de leerling zijn veiligheidsbrevet heeft behaald mag deze solo gaan vliegen. Net als met autorijden houdt dit niet in dat hij dan volleerd is maar dat dit pas het begin vormt.

De club beschikt mede dankzij het Westfrieslandfonds over een elektromotor aangedreven vliegtuig en een elektromotor aangedreven zwever, deze kunnen ingezet worden in geval het toestel van de leerling op de oefenavond “kuren” vertoont, Verder kunnen mensen die het een leuke hobby lijkt hiermee hun eerste kennismakingsvluchten krijgen.

 Hieronder volgt een overzicht van de figuren die aangeleerd worden om het veiligheidsbrevet te kunnen halen, doel hiervan is dat de aspirant piloot hiermee laat zien zijn toestel goed onder controle te hebben.

Door een tweetal examinators wordt beoordeeld of men de figuren voldoende of onvoldoende beheerst, de aspirant piloot krijgt drie vluchten om te laten zien wat hij kan, 2 van deze drie moeten zijn afgerond met uitsluitend voldoendes voor de figuren.

Overgenomen uit;

NVvL Afdeling Modelvliegsport

BVM Bijlage 1 Veiligheids examens vaste vleugel versie 2.01 Juni 2013

Start;

Het model moet met draaiende motor stilstaan of mag door een helper worden vastgehouden. De aanloop moet in rechte lijn zijn, evenals de daarop volgende stijgvlucht. In geval van een handstart mag het model zowel door de helper als door de vlieger worden gegooid.

Een onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  1. Het model gedurende de aanloop en/of bij de stijgvlucht aanmerkelijk van richting verandert.
  2. Na het opstijgen opnieuw de grond wordt geraakt.
  3. De stijgvlucht onstabiel is of met te hoge of te lage snelheid wordt gevlogen.

start

Procedure-turn;

Het model vliegt minimaal 5 seconden langs de vlieglijn tot vrijwel recht voor de kandidaat, maakt een bocht van 90 graden van de vlieglijn af, beschrijft dan een bocht van 270 graden tegengesteld aan de eerste bocht, waarna het weer in rechtlijnige horizontale vlucht terugkeert langs de vlieglijn tot wederom recht voor de kandidaat, naar het beginpunt op een koers tegengesteld aan die bij het begin van de figuur.

Een onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  1. De figuur als zodanig onvoldoende kan worden herkend.
  2. De hoogte sterk varieert.

procedure turn

Twee loopings achterover;

Het model komt langs de vlieglijn aanvliegen en maakt recht voor de vlieger achtereenvolgens twee lussen achterover. Een lichte duikvlucht om meer snelheid te verkrijgen is toegestaan. De figuur wordt beëindigd op een koers die in het verlengde ligt van die bij aanvang.

Een onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  1. De loopings niet als zodanig herkenbaar zijn.
  2. Het model tijdens de loopings niet meer volledig onder controle is (breekt uit).
  3. De manoeuvre grote afwijkingen vertoont ten opzichte van de vlieglijn.

dubbele loop

Vlakke acht;

Het model vliegt tot vrijwel voor de kandidaat, maakt een bocht van 90 graden van de vlieglijn af, beschrijft dan een complete horizontale cirkel in de vliegrichting, gevolgd door een cirkel in tegenovergestelde richting. De figuur wordt beëindigd op een koers die in het verlengde ligt van die bij de aanvang.

Een onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  1. De manoeuvre niet als dusdanig kan worden herkend.
  2. De hoogte sterk varieert.

vlakke 8

Tolvlucht of spiraalduik van 3 slagen;

Het model vliegt op voldoende hoogte tot bijna recht voor de kandidaat, neemt gas terug en maakt dan een tolvlucht of spiraalduik van drie slagen (een tolvlucht is een overtrokken vliegtoestand, een spiraalduik is een gevlogen figuur).

Na herstel vervolgt het model op lagere hoogte in dezelfde richting als bij het begin van de manoeuvre.

Een onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  1. De manoeuvre niet als dusdanig kan worden herkend.
  2. Het model vanuit een tolvlucht overgaat in een spiraalduik.
  3. Het model in een spiraalduik een veel te hoge snelheid bereikt.

tolvlucht

Circuit met go-around (afgebroken landing);

De kandidaat laat het model passeren tegen de wind in, langs de vlieglijn. Hij start het circuit recht voor zich, gevlogen op constante hoogte. Aan het eind van downwind of tijdens het baseleg wordt de hoogte  verlaten en een landing ingezet. Het mikpunt is daarbij het punt waarop bij een normale landing wordt gemikt.

Vlak voor de landing wordt vol gas gegeven en het model vliegt langs de vlieglijn klimmend naar circuithoogte.

Een onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  1. De manoeuvre niet als dusdanig kan worden herkend.
  2. Het model grote variaties in hoogte of richting vertoont tijdens het circuitvliegen
  3. De snelheid op final niet overeenstemt met die van een normale landing.
  4. De snelheid van het uitklimmen na de go-around niet overeenstemt met de snelheid van een normale klim na de start
  5. Het final been niet in de configuratie wordt gevlogen zoals bij een normale landing met dat model gebruikelijk is.

go around

Gesimuleerde noodlanding;

Het model passeert de kandidaat in downwind positie. De kandidaat neemt het gas volledig terug (stationair), zet de daling in en vliegt een route die het model in een positie/hoogte/snelheid brengt van waaruit een veilige landing op het veld zou kunnen worden gemaakt.

Op ongeveer 2 m hoogte boven het landingspunt aangekomen geeft de kandidaat weer vol gas en maakt een klimvlucht langs de vlieglijn naar circuithoogte.

Een onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  1. De manoeuvre niet als dusdanig kan worden herkend.
  2. Het laagste punt zodanig ligt, dat een aansluitende landing niet mogelijk zou zijn binnen de grenzen van het veld.
  3. Er tijdens de daling gas bij moet worden gegeven.

nood procedure

Circuit met aansluitend de landing;

Het model passeert de kandidaat tegen de wind in, langs de vlieglijn. De kandidaat start het circuit recht

voor zich, en vliegt op constante hoogte.

Aan het eind van downwind of tijdens de baseleg wordt de hoogte verlaten en een landing ingezet.

Het model moet de grond raken binnen de landingscirkel en daarna gecontroleerd uitrollen.

Een onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  1. De manoeuvre niet als dusdanig kan worden herkend.
  2. Het model grote variaties in hoogte of richting vertoont tijdens het circuitvliegen.
  3. De daling onstabiel is door grote variaties in gewenste snelheid, koers en daalhoek.
  4. Het final been niet in de configuratie wordt gevlogen zoals bij een normale landing met dat model gebruikelijk is.

landing

Facebookgoogle_plusyoutubeFacebookgoogle_plusyoutube